Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA3088

Datum uitspraak1995-03-01
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers29384
Statusgepubliceerd


Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 januari 1993 betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag in de bouwgrondbelasting A van de gemeente Z. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is, als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak, kadastraal bekend als gemeente Z, sectie B, nummer 1111 een aanslag in de bouwgrondbelasting A van de gemeente Z opgelegd ten bedrage van ƒ 48.243,--. De aanslag is ambtshalve verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 46.406,--. De aldus verminderde aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Z (hierna: B en W) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. B en W hebben een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft zijn zaak doen toelichten door mr. R. van Gelder, advocaat bij de Hoge Raad. 3. Beoordeling van de klachten en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het kader van het bouwrijp maken van gronden in het plan a-straat-b-straat in Z is de Gemeente onder meer overgegaan tot het uitvoeren van een reconstructie van de weg genaamd A, waarbij voorzieningen van openbaar nut zijn getroffen. Ingevolge de Verordening bouwgrondbelasting A van 28 juni 1983, hierna: de Verordening van 28 juni 1983, is belanghebbende als degene die op 1 januari 1984 het genot krachtens zakelijk recht heeft van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Z, sectie B, nummer 1111, (hierna: het perceel), dat aan de noordzijde over de gehele, ongeveer 38 meter bedragende, lengte grenst aan de A, een aanslag opgelegd. De voorzieningen zijn in het najaar van 1982 voltooid. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is bij besluit van de gemeenteraad van 8 juni 1982 gewijzigd, welke wijziging door Gedeputeerde Staten op 20 juli 1983 werd goedgekeurd. Door deze wijziging verkreeg onder andere voormeld perceel, waarop aan de zijde van de c-straat reeds een woning was gebouwd, ook aan de zijde van de A tot een diepte van 25 meter - dat wil zeggen: tot ongeveer 12 meter uit de achtergevel van die woning - een bouwbestemming (vrijstaande of dubbele woning). 3.2. In de Verordening van 28 juni 1983 wordt het begrip "het onroerende goed" - ook perceel" of "het belastbare perceel" - gebruikt in de betekenis die daaraan ingevolge artikel 274 van de gemeentewet (oud) moet worden toegekend. Partijen zijn kennelijk ervan uitgegaan dat het perceel als geheel genomen één onroerend goed in de zin van de Verordening vormt. De Hoge Raad zal met het Hof partijen volgen in die opvatting nu niet gebleken is dat deze berust op een juridisch onjuist uitgangspunt. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat de wijziging van het bestemmingsplan, waardoor ook de achter de woning gelegen noordzijde van het perceel van belanghebbende over een brede, hierna ook als de achterstrook aan te duiden, strook een bouwbestemming kreeg, eerst op 20 juli 1983 door de Gedeputeerde Staten werd goedgekeurd niet eraan afdoet dat dit perceel door de in de Verordening van 28 juni 1983 vermelde werken van openbaar nut beter geschikt kon worden voor bebouwing. 3.4. Dit oordeel is juist aangezien bij de beantwoording van de vraag of een onroerend goed door voorzieningen van openbaar nut geschikt of beter geschikt wordt voor bebouwing in de zin van artikel 274 van de gemeentewet (oud) dient te worden uitgegaan van de omstandigheden, waaronder de op het onroerend goed rustende bestemming, op het tijdstip waarop in verband met de termijn van artikel 274, tweede lid uiterlijk had moeten worden besloten tot heffing van bouwgrondbelasting. Uit de vaststaande feiten volgt dat de wijziging van het bestemmingsplan binnen die termijn is van kracht geworden. De tegen 's Hofs oordeel gerichte klachten falen. 3.5. De klacht dat de Verordening van 28 juni 1983 tot een willekeurige en/of onredelijke belastingheffing leidt omdat slechts percelen waarop als gevolg van wijziging van het bestemmingsplan een bouwbestemming is komen te rusten in de heffing zijn betrokken, kan niet tot cassatie leiden omdat uit de stukken van het geding noch uit de bestreden uitspraak blijkt dat belanghebbende zich voor het Hof op het standpunt heeft gesteld dat ook andere percelen door de getroffen voorzieningen zozeer in een voordeliger positie zijn gekomen te verkeren dat zij in de heffing betrokken hadden moeten worden en de beoordeling van dat standpunt een onderzoek van feitelijke aard zou vergen waarvoor in cassatie geen plaats is. 3.6. Niettemin kan de uitspraak van het Hof in verband met het navolgende niet in stand blijven. Uit hetgeen de Gemeente voor het Hof heeft aangevoerd moet worden afgeleid dat zij het perceel van belanghebbende niet in de heffing zou hebben betrokken indien niet ook op de achterstrook een bouwbestemming zou zijn komen te rusten. De aanslag is derhalve uitsluitend opgelegd omdat het perceel, naar de opvatting van de Gemeente, door het treffen van de voorzieningen van openbaar nut in die zin in een voordeliger positie was gebracht dat het geschikt of beter geschikt voor bebouwing was geworden. Het Hof heeft belanghebbende, die dit laatste betwistte, belast met het bewijs dat zijn perceel door de voorzieningen in zoverre niet in een voordeliger positie was gebracht. Daarbij is het Hof blijkens zijn rechtsoverweging 2.3 ervan uitgegaan dat reeds het enkele feit dat een perceel waarop mag worden gebouwd is gelegen in de, naar kennelijk is bedoeld: onmiddellijke, nabijheid van voorzieningen als de onderhavige het vermoeden oplevert dat dat perceel door die voorzieningen geschikt of beter geschikt voor bebouwing is geworden. Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de verdeling van de bewijslast in dit bijzondere geval waarin bebouwing zou neerkomen op het grotendeels prijsgeven van een in de dorpskern gelegen achtertuin met een diepte van ongeveer 37 meter. In verband met dit laatste kan immers slechts worden geoordeeld dat van geschiktheid of betere geschiktheid voor bebouwing sprake is indien de Gemeente aannemelijk maakt dat bebouwing van de achterstrook met een vrijstaande of dubbele woning objectief bezien - gelet op alle voor het perceel als geheel daaraan verbonden gevolgen - voor de hand liggend is. Verwijzing moet volgen. 4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van zijn beroep in cassatie gestorte recht ten bedrage van ƒ 300,-- en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 1 maart 1995